By browsing our site you agree to our use of cookies. You will only see this message once.

Find out more

Geschiedenis van de Plastische Chirurgie

Terug

In de inleiding is reeds vermeld dat reconstructies van afgesneden neuzen al ongeveer 2000 jaar geleden in indiaIndia werden verricht volgens de ‘Indiase methode’. Ook zijn er berichten dat rond die tijd in China al lipspleten, vroeger hazenlippen of hazenmonden [soms ook wolfsmond] genoemd, werden geopereerd. Tegenwoordig spreken wij liever over lip- , kaak- en gehemeltespleten omdat een verwijzing naar de dierenwereld, in dit geval de haas of wolf als denigrerend of kwetsend kan worden opgevat of ervaren. Wij zullen ons echter verder beperken tot de geschiedenis van de plastische chirurgie in Europa en in Nederland in het bijzonder.
De eerste beschreven ervaringen over het herstel van deze hazenlippen of hazemonden in de middeleeuwen vinden wij in het Nederlandstalige heelkundige manuscript, met de hand geschreven boek, van meester Jan Yperman (1295-1351) uit het Vlaamse Ieperen. Dergelijke handschriften, zoals in dit geval de ‘Cyrurgie’ dat door Yperman in de ‘Dietse taal’ rond 1310 werd voltooid, werden maar moeizaam en op zeer kleine schaal vermenigvuldigd. Want het moest letter voor letter worden overgeschreven, een echt monnikenwerk! Deze overschrijvers of kopiisten waren inderdaad vaak monniken die daarvoor de tijd konden nemen en het schrijven goed onder de knie hadden, hoewel ze vaak van de geneeskunde zelf weinig tot niets afwisten. Een dergelijke kopie van de Cyrurgie is bewaard gebleven en bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.


Een tweede Diets chirurgisch manuscript of handschrift uit die periode is het ‘Boeck van Surgien’ van meester Thomas Scellinck van Thienen uit 1343. Men vindt er uitvoerig de algemene wondbehandeling in beschreven en de middeleeuwse technieken voor het hechten van scherpe wonden naast de behandeling van brandwonden [van den curen die verbrant siin, of verscroeyt van vier of van water] en hazemonden. Daarnaast wordt de nodige aandacht aan de anatomie besteed. Ook van dit boek is een kopie bewaard gebleven dat aanwezig is in de Koninklijke Bibliotheek.


Door de uitvinding van de boekdrukkunst door Johan Gutenberg omstreeks 1450 in Mainz raakte de verbreiding van de wetenschap over de hele wereld in een stroomversnelling. Aanvankelijk verschenen de medische boeken in het Latijn, de internationale geleerdentaal. Hierdoor konden de niet klassiek gevormde chirurgijns geen kennisnemen van de inhoud.


NVPCHet eerste Europese boek over reconstructieve chirurgie verscheen in 1597 in Venetië en werd geschreven door Gaspare Tagliacozzi (1545-1599) geneesheer in Bologna. Het boek had veel succes en in Frankfurt verscheen al in 1598 een tweede uitgave. In het boek werden stapsgewijs neus-, oor- en lipreconstructies beschreven en met mooie duidelijke afbeeldingen verlucht. Of deze operaties waarbij de neus wordt gereconstrueerd met een gesteelde lap van de bovenarm ook in werkelijkheid veel werden uitgevoerd, lijkt niet zo waarschijnlijk. Aan de bovenarm als donorplaats werd de voorkeur gegeven, omdat daardoor het voorhoofd niet beschadigd werd zoals bij de Indiase methode. Na enige tijd raakte deze Italiaanse neusreconstructie in diskrediet en werd ze zelfs, ook door vermaarde dichters als Voltaire, openlijk bespot,

Twee onderwerpen die traditioneel veel aandacht kregen bij de reconstructieve plastische chirurgie waren de behandeling van brandwonden en de operatieve chirurgie van lip-, kaak- en gehemeltespleten.


Casper Nollens, stadsgeneesheer in ’s-Gravenhage, vertaalde al in 1629 en 1630, ter gelegenheid van de opening van het Haagse Theatrum anatomicum (anatomiekamer) en ten behoeve van de minder geleerde maar meer praktisch ingestelde chirurgijns die het Latijn niet machtig waren, tal van chirurgische en anatomische boeken in het Nederlands. Zoals: Nicolas Habicot (De anatomijcke weecke ofte practycke), Nicolas Abraham de la Framboisière (De regulen die vereyscht werden om de chirurgie met een goede methode te practiseren), Barthelemy Cabrol (Het anatomiicke ABC) en Hieronymus Fabritius ab Aquapendente (De chirurgicale operatien).


Carel Baten, zijn collega in Dordrecht, vertaalde eveneens enkele Latijnse chirurgische leerboeken, waaronder in 1653 een boek over brandwonden van de Duitse heelmeester Fabricius Hildanus (1560-1634) getiteld: “ Van de verbrandtheydt, daer in byna alle Accidenten ofte toevallen der selve klaerlijck vertoond worden “. In 1636 vertaalde hij al een belangrijk chirurgisch leerboek van Paré (de Franse vader van de chirurgie): ‘De Chirurgie , ende alle de opera , ofte wercken van Mr. Ambrosius Paré, Raedt ende opperste chirurgijn van vier Coninghen in Franckrijck’ .


Hendrick van Roonhuijse (1622-1672) de stads-vroedvader of vroedmeester van Amsterdam beschreef heel uitvoerig in zijn ‘Heelkonstige Aenmerckingen’ de chirurgische behandeling van de hazenlip. De operatie werd zonder verdoving, uiterst snel maar op eenvoudige wijze, uitgevoerd want voor ingewikkelde reconstructies was nog geen plaats en de tijd ontbrak. Toch opereerde hij zowel enkelzijdige als dubbelzijdige lipspleten, maar het gehemelte kon nog niet worden gesloten. Als stedelijk verloskundige zag hij als eerste pasgeborenen met aangeboren afwijkingen en hij raakte daardoor in de behandeling ervan geïnteresseerd.
Vele geschriften volgen er in de loop der eeuwen over deze onderwerpen waarbij men steeds een stapje verder komt. Bernhard von Langenbeck in Berlijn ontwikkelde in 1861 een nieuwe operatietechniek, waardoor het wel mogelijk wordt het open gehemelte betrouwbaar te sluiten.


De ontwikkeling van de reconstructieve plastische chirurgie verliep zeer traag tot het midden van de 19e eeuw. Dit veranderde pas door het klinische en experimentele werk op het gebied van huidtransplantaties door Duitse en Franse geleerden van naam. De eerste geloofwaardige publicaties van geslaagde neusreconstructies bij patiënten die hun reukorgaan waren kwijtgeraakt door oorlogsverwondingen (o.a. door sabelhouwen) verschijnen in deze periode. Aan het eind van de 19e eeuw worden deze technieken ook in Nederland toegepast, nadat men in het buitenland de operatie zelf eerst heeft gezien. Christaan Bernard Tilanus (1796-1883) reisde hiervoor met enkele vrienden van Amsterdam naar Marburg om de Duitse chirurg Christian Heinrich Bünger (1782-1842) te zien opereren die een neusreconstructie uitvoerde met een vrij huidtransplantaat afkomstig van het bovenbeen. Brandwonden werden behandeld met huidtransplantaten door Albert E. Vermeij in 1893 te Amsterdam, en spoedig daarna werd dit overal in Nederland toegepast.


Totaal nieuw was het lumineuze idee van de Amsterdamse hoogleraar professor Otto Lanz (1865-1935) om met een soort zelfgeconstrueerde handstempelmachine met scherpe mesjes mechanisch een vast patroon van sneetjes aan te brengen in het huidtransplantaat. Hierdoor ontstond een uitrekbaar netwerk van huid dat op de brandwond kon worden gelegd. Deze zogenoemde meshgraft geeft een oppervlaktevergroting en laat toe dat wondvocht en bloed via de gaatjes kunnen draineren. Hierdoor kunnen grotere gebieden worden bedekt en is de kans van aanslaan van de huid zekerder geworden.


Plastische chirurgie, oorlogschirurgie?
Het is opvallend dat het krijgsgeweld zo’n belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de plastische chirurgie. Door de invoering van de algehele en plaatselijke verdovingstechnieken en de antisepsis en asepsis omstreeks het midden van de 19e eeuw werden grotere en langdurige operaties mogelijk. Hiervan profiteerde de plastische chirurgie enorm. Onder antisepsis verstaan wij een wondbehandeling of operatie waarbij de aanwezige ziektekiemen rigoureus worden aangepakt en gedood worden met desinfecterende middelen. Bij een aseptische behandeling worden tal van maatregelen getroffen (handschoenen, steriele instrumenten en operatiekleding) die het contact met deze kiemen drastisch verminderen of geheel voorkomen.


De invloed van de Eerste Wereldoorlog
Tijdens de Eerste Wereldoorlog, die te boek staat als een loopgravenoorlog waarbij nieuwe typen geschut waren geïntroduceerd, waren het vooral de enorme aantallen oorlogsslachtoffers met ernstige verwondingen van het hoofd-halsgebied, die nieuwe, ingenieuze operatietechnieken vereisten. Maar deze moesten eerst nog worden uitgevonden.

NVPCDe Tweede Wereldoorlog was een ander type oorlog en stond vooral in het teken van de behandeling van ernstige brandwonden, veroorzaakt door het oorlogsgeweld ter land, ter zee en in de lucht met name in de brandende vliegmachines. Vooral de Spitfire-piloten van de Royal Air Force die hun kostbare jachtvliegtuigen moesten sparen waren hiervan het slachtoffer. Door McIndoe, Gillies en anderen werd in Engeland in de praktijk met vallen en opstaan een nieuwe aanpak voor de bijna eindeloze reeks van brandwondenpatiënten ontwikkeld. Behandeling van de brandwonden met baden en lange series van veelvuldige operaties met huidtransplantaties of gesteelde lappen, de zogenoemde buislappen in combinatie met een resocialisatieplan en revalidatie brachten de piloten letterlijk weer opgelapt terug in de cockpit.


De grootste en meest fundamentele ontwikkeling van reconstructieve operaties vond plaats tijdens deze wereldoorlog aan beide zijden van het slagveld. Aan patiënten was geen gebrek. De rondvliegende projectielen richtten verschrikkelijke verwoestingen aan van het gelaat van de soldaat die zijn vrijwel onbeschermd gezicht boven de loopgraven moest uitsteken om het vijandelijke vuur te kunnen beantwoorden. Op aanraden van de Duitse adviserend legerchirurg professor August Bier werd pas in 1916 de stalen helm geïntroduceerd die een wat betere bescherming bood.


Deze zwaar verminkte soldaten stelden de oorlogschirurgen voor totaal nieuwe problemen, waarvoor destijds nog geen oplossingen voor handen waren. Het herstel van het gelaat maakte een terugkeer van de soldaat naar de loopgraaf of naar de burgermaatschappij weer mogelijk. Zonder herstel zou ook dit laatste niet meer mogelijk zijn. Om deze reden werd deze vorm van herstellende of reparatieve plastische chirurgie ook wel ‘sociale chirurgie’ genoemd. Achter de frontlinies werd naarstig naar een oplossing gezocht voor deze gecompliceerde gelaatsverminkingen. De combinatie van algemeen heelkundige kennis met tandheelkundige of keel-, neus- en oorheelkundige ervaring bleek van groot nut te zijn, daar meestal ook boven- en onderkaak, neus, oogkassen en bijholten bij het ongeval waren betrokken.


NVPCAan Nederlandse zijde was het de huisarts-mondarts en voormalig schaakkampioen Jan F.S. Esser (1877-1946) die door zijn tandheelkundige ervaring te Leiden en Utrecht en een cursus oorlogschirurgie in Parijse oplossingen bedacht om de harde en weke delen van het gelaat weer te reconstrueren en functioneel te maken. Het herstellen van de kauw- en slikfunctie en het spreken, de voornaamste problemen van deze beklagenswaardige oorlogsslachtoffers, was van primair belang en deze operaties kregen de meeste aandacht. Aan Engelse zijde was het de KNO-arts Harold Delf Gillies (1882-1960) die zijn oplossingen op een andere wijze ontwikkelde. Omdat de ervaringen in de belangrijkste talen Engels, Frans en Duits betrekkelijk snel in de wetenschappelijke chirurgische vakbladen werden gepubliceerd, bleef men goed op de hoogte van de nieuwe ontwikkelingen. Het aantal patiënten dat voor behandeling met deze nieuwe technieken in aanmerking kwam en daarvan kon profiteren, was enorm.

 

 

 

Hoewel Nederland een neutrale positie innam in de eerste wereldoorlog, waren er wel artsen die zich als deskundige hulpverleners, als een soort artsen zonder grenzen avant la lettre, aanboden. Zo werkte de Nederlander Esser vanaf mei 1915 in dienst van de Oostenrijks-Hongaarse regering als burgerchirurg in Brno, NVPCWenen, Budapest en tenslotte Berlijn. Hij was een markante persoonlijkheid, onvermoeibaar, bruisend van de energie en met vele innovatieve ideeën. Hij was weliswaar eigenzinnig maar voorzien van vele uiteenlopende kwaliteiten maar ook met weinig gevoel voor militaire verhoudingen. Toch bleek hij goed te kunnen samenwerken indien dit nodig was om een goede reconstructie te bereiken met andere specialisten als oogartsen, kaakchirurgen en algemeen chirurgen, vooral tijdens zijn latere verblijf in Berlijn van 1917-1925. Hij bleef echter een eenling behept met moeilijk bereikbare idealen die ook na de oorlog voltijds plastisch chirurg bleef, hoewel dit vak nog niet als zodanig was erkend. Hij schreef diverse boeken die in vele talen werden vertaald en tal van artikelen in wetenschappelijke bladen over de plastische chirurgie, en maakte veel propaganda voor dit nieuwe onderdeel der algemene heelkunde. In de periode tussen beide wereldoorlogen waren er nog maar enkele chirurgen die zich volledig en uitsluitend op de plastische chirurgie konden toeleggen. Als aanvulling op deze werkzaamheden en om in het levensonderhoud beter te kunnen voorzien richtte men zich ook op de cosmetische of esthetische chirurgie die in deze periode dan ook verder tot ontwikkeling kon worden gebracht. Veelal werden deze schoonheidsoperaties, die ook door vrouwen werden uitgevoerd [o.a. Suzanne Noël in Parijs], onder plaatselijke verdoving uitgevoerd in de behandelkamer thuis. De pers was destijds lang niet altijd lovend over deze bijzondere tak van chirurgie, mede omdat er nog al eens onheuse reclamecampagnes werden gevoerd.


De Tweede wereldoorlog
Nederland was neutraal gebleven tijdens de Eerste Wereldoorlog zodat er maar weinig oorlogsslachtoffers te betreuren waren geweest, maar deze positie bleek in de Tweede Wereldoorlog niet langer houdbaar. De oorlogsstrijd duurde slechts vijf dagen en eindigde door het meedogenloze Duitse bombardement van Rotterdam. De medische zorg werd ditmaal wel direct betrokken bij de behandeling van slachtoffers van het oorlogsgeweld. Maar de stroom van gewonden hield al snel op en spoedig herstelde zich de rust weer. Daarom nam de aanvankelijke interesse in de plastische chirurgie al snel weer af. Dit veranderde pas toen enkele naar Engeland uitgeweken Nederlandse artsen in het begin van de oorlog in aanraking kwamen met de moderne reconstructieve chirurgie, zoals die door deskundigen in teamverband werd uitgevoerd in gespecialiseerde ziekenhuizen.

Powered By: webCiters